1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150 151 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 163 164 165 166 167 168 169 170 171 172 173 174 175 176 177 178 179 180 181 182 183 184 185 186 187 188 189 190 191 192 193 194 195 196 197 198 199 200 201 202 203 204 205 206 207 208 209 210 211 212 213 214 215 216 217 218 219 220 221 222 223 224 225 226 227 228 229 230 231 232 233 234 235 236 237 238 239 240 241 242 243 244 245 246 247 248 249 250 251 252 253 254 255 256 257 258 259 260 261 262 263 264 265 266 267 268 269 270 271 272 273 274 275 276 277 278 279 280 281 282 283 284 285 286 287 288 289 290 291 292 293 294 295 296 297 298 299 300 301 302 303 304 305 306 307 308 309 310 311 312 313 314 315 316 317 318 319 320 321 322 323 324 325 326 327 328 329 330 331 332 333 334 335 336 337 338 339 340 341 342 343 344 345 346 347 348 349 350 351 352 353 354 355 356 357 358 359 360 361 362 363 364 365 366 367 368 369 370 371 372 373 374 375 376 377 378 379 380 381 382 383 384 385 386 387 388 389 390 391 392 393 394 395 396 397 398 399 400 401 402 403 404 405 406 407 408 409 410 411 412 413 414 415 416 417 418 419 420 421 422 423 424 425 426 427 428 429 430 431 432 433 434 435 436 437 438 439 440 441 442 443 444 445 446 447 448 449 450 451 452 453 454 455 456 457 458 459 460 461 462 463 464 465 466 467 468 469 470 471 472 473 474 475 476 477 478 479 480 481 482 483 484 485 486 487 488 489 490 491 492 493 494 495 496 497 498 499 500 501 502 503 504 505 506 507 508 509 510 511 512 513 514 515 516 517 518 519 520 521 522 523 524 525 526 527 528 529 530 531 532 533 534 535 536 537 538 539 540 541 542 543 544 545 546 547 548 549 550 551 552 553 554 555 556 557 558 559 560 561 562 563 564 565 566 567 568 569 570 571 572 573 574 575 576 577 578 579 580 581 582 583 584 585 586
|
<HTML
><HEAD
><TITLE
>De Shell</TITLE
><META
NAME="GENERATOR"
CONTENT="Modular DocBook HTML Stylesheet Version 1.64
"><LINK
REL="HOME"
TITLE="Het Slackware Handboek"
HREF="slackware-handboek.html"><LINK
REL="PREVIOUS"
TITLE="Pkgtools"
HREF="pkgtools.html"><LINK
REL="NEXT"
TITLE="Bestanden en directories"
HREF="bestandssysteem.html"><LINK
REL="STYLESHEET"
TYPE="text/css"
HREF="normal.css"></HEAD
><BODY
CLASS="chapter"
BGCOLOR="#FFFFFF"
TEXT="#000000"
LINK="#0000FF"
VLINK="#840084"
ALINK="#0000FF"
><DIV
CLASS="NAVHEADER"
><TABLE
WIDTH="100%"
BORDER="0"
CELLPADDING="0"
CELLSPACING="0"
><TR
><TH
COLSPAN="3"
ALIGN="center"
>Het Slackware Handboek: Voor Slackware Linux 9.1</TH
></TR
><TR
><TD
WIDTH="10%"
ALIGN="left"
VALIGN="bottom"
><A
HREF="pkgtools.html"
>Terug</A
></TD
><TD
WIDTH="80%"
ALIGN="center"
VALIGN="bottom"
></TD
><TD
WIDTH="10%"
ALIGN="right"
VALIGN="bottom"
><A
HREF="bestandssysteem.html"
>Volgende</A
></TD
></TR
></TABLE
><HR
ALIGN="LEFT"
WIDTH="100%"></DIV
><DIV
CLASS="chapter"
><H1
><A
NAME="AEN357"
>Hoofdstuk 9. De Shell</A
></H1
><DIV
CLASS="TOC"
><DL
><DT
><B
>Inhoudsopgave</B
></DT
><DT
>9.1. <A
HREF="shell.html#AEN359"
>Inleiding</A
></DT
><DT
>9.2. <A
HREF="shell.html#AEN368"
>De Shell omgeving</A
></DT
><DT
>9.3. <A
HREF="shell.html#AEN382"
>Commando's</A
></DT
><DT
>9.4. <A
HREF="shell.html#AEN424"
>Werken met de Shell</A
></DT
><DT
>9.5. <A
HREF="shell.html#AEN436"
>Redirection en Piping</A
></DT
><DT
>9.6. <A
HREF="shell.html#AEN462"
>Tab completion</A
></DT
><DT
>9.7. <A
HREF="shell.html#AEN473"
>Virtuele terminals</A
></DT
></DL
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN359"
>9.1. Inleiding</A
></H1
><P
> Er zijn diverse manieren om werk op een computer uit te (laten) voeren. Zo kun je gebruik maken van een Grafische User Interface of programma's kunnen 'op de achtergrond' uitgevoerd worden. Een andere methode is om commando's via een zogenaamde prompt aan het systeem aan te bieden. Nu heb je op de laatste manier een programma nodig die deze opdrachten voor je aan het operating system aanbiedt of die deze opdrachten uitvoert. Op Linux systemen, en dus ook Slackware, heb je de beschikking over een zogenaamde shell. Deze shell zorgt er o.a. voor dat je werk uit kan voeren, zoals het bekijken van een bestand, het aanmaken van gebruikers etcetera.
</P
><P
> Een shell wordt gestart op het moment dat een gebruik inlogt. Voor het inloggen zie je iets wat op het volgende lijkt:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> slackware login:
</PRE
><P
> Dit is de login prompt, niet te verwarren met de shell prompt. Na het inloggen en het starten van de shell wordt de volgende prompt getoond:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $
</PRE
><P
> Dit is de prompt van de shell. Hierna kun je, afhankelijk van je rechten, de commando's uitvoeren die nodig zijn om je werk uit te voeren.
</P
><P
> NB : In dit document wordt uitgegaan van de Bash shell.
</P
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN368"
>9.2. De Shell omgeving</A
></H1
><P
> Als je met de Shell werkt, dan staan er een aantal variabelen tot je beschikking. Een voorbeeld is de PATH variabele, waarin een aantal paden naar directories staan zodat je voor bepaalde commando's alleen het commando hoeft in te voeren in plaats van het pad naar het commando en het commando zelf.
Deze variabelen maken deel uit van de zogenaamde omgeving waarin je werkt (Environment). Je kunt een overzicht van je omgevingsvariabelen opvragen met het commando <B
CLASS="command"
>env</B
> en het commando <B
CLASS="command"
>set</B
>.
Deze variabelen kun je ook zelf definieren. Als je dit doet, gebruik dan voor de naam van de variabele hoofdletters. Dit is niet verplicht, maar wel een goede gewoonte. Het definieren van een variabele doe je als volgt:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>KREET=hallo</B
>
</PRE
><P
> Hierboven is een variabele KREET gemaakt die de waarde 'hallo' gekregen heeft. Met het commando echo kun je bekijken of de opdracht inderdaad goed is gedaan:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>echo $KREET</B
>
</PRE
><P
> Let op het gebruik van het dollar($) teken.
</P
><P
> Als je op deze manier Shell variabelen maakt, dan staan deze alleen ter beschikking tot de Shell. Als je ook wilt dat andere programma gebruik kunnen maken van deze variabelen, dan moet je deze variabelen "exporteren". Je doet dit op de volgende manier:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>export KREET</B
>
</PRE
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN382"
>9.3. Commando's</A
></H1
><P
> In dit deel worden een aantal commando's kort besproken.
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>write</H2
><P
> Met dit commando kun je aan een andere gebruiker een bericht sturen. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>write user</B
>
</PRE
><P
> Voor 'user' moet je de gebruiker invullen aan wie je een bericht wilt sturen.
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>w</H2
><P
> Met dit commando kun je zien wie er allemaal op dit moment ingelogd zijn en wat ze aan het doen zijn. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>w</B
>
</PRE
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>type</H2
><P
> Met dit commando kun je snel bepalen waar een bepaald programma zich bevindt. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>type programma</B
>
</PRE
><P
> Op de plaats van 'programma' vul je de naam in van het programma wat je zoekt. Voorwaarde is wel dat het programma zich bevindt in een van de directories die zich in de PATH variabele bevinden.
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>file</H2
><P
> Met dit commando kun je bekijken om wat voor soort bestand het gaat. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>file bestand</B
>
</PRE
><P
> Op de plaats van 'bestand' vul je de naam van het bestand in waarvan je wilt bekijken van voor type bestand het is.
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>ps</H2
><P
> Met dit commando kun je bekijken welke processen er actief zijn op je systeem. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>ps</B
>
</PRE
><P
> Hieraan kun je meerdere opties toevoegen ( zoals a, u, x, s).
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>su</H2
><P
> Met dit commando kun je tijdelijk als root gebruiker werken. Het is namelijk niet een goed idee om altijd als root gebruiker je werk. Om nu af en toe als root bepaalde commando's uit te kunnen voeren, kun je het commando su gebruiken. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>su</B
>
</PRE
><P
> Na het invoeren van dit commando wordt er om het root password gevraagd.
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>locate</H2
><P
> Met dit commando kun je op een eenvoudige manier het systeem doorzoeken voor een of meerdere bestanden. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>locate bestand</B
>
</PRE
><P
> Op de plaats van 'bestand' vul je de naam in van het bestand (of programma of directory) wat je zoekt.
</P
><H2
CLASS="BRIDGEHEAD"
>man</H2
><P
> Met dit commando kun je informatie opvragen over een bepaald onderwerp. Het gebruik van dit commando is :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>man opdracht</B
>
</PRE
><P
> Op de plaats van 'opdracht' vul je de naam van de opdracht in waarover je meer informatie wilt weten. De documenten waar deze informatie zich bevindt worden manual pages genoemd.
</P
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN424"
>9.4. Werken met de Shell</A
></H1
><P
> Via de Shell kun je verschillende dingen doen. Je kunt bovenstaande commando's uitvoeren, bestanden aanmaken, bestanden verwijderen en nog veel meer. Een belangrijk concept hierbij is hoe het "systeem" (lees : Shell) weet waar de commando's te vinden zijn die je intypt. Hier komt de variabele PATH (zie het deel over de Shell omgeving) om de hoek kijken. Je kunt programma's globaal op twee manieren uitvoeren via de Shell: d.m.v. het opgeven van alleen het commando of door het opgeven van het hele pad (dus waar het programma te vinden is, en het pad begint dan bij de root '/' directory).
</P
><P
> Om programma's te kunnen uitvoeren door alleen de naam van het programma in te geven moet aan de voorwaarde voldaan zijn dat het pad naar dit programma in de PATH variabele is opgenomen. Stel dat een programma, bijvoorbeeld het programma locate, in de directory /bin staat, dan moet in de variabele PATH dit pad naar deze directory zijn opgenomen. Je kunt dit controleren met het commando echo $PATH. Als je nu een nieuw pad toe wilt voegen aan de PATH variabele, bijvoorbeeld omdat je een nieuw programma hebt geïnstalleerd en dit rechtstreeks wilt kunnen uitvoeren, dan kun je het op de volgende manier aan de variabele PATH toevoegen.
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>PATH=$PATH:/usr/bin</B
>
</PRE
><P
> Bovenstaand voorbeeld voegt het pad <TT
CLASS="filename"
>/usr/bin</TT
> toe aan de
PATH variabele.
</P
><P
> Om een programma van de huidige directory uit te voeren, dan volstaat het niet om alleen de naam van het programma op te geven, tenzij de huidige directory opgenomen is in de PATH variabele. Immers, de Shell zoekt alle paden af in de variabele PATH. Als het programma niet gevonden wordt, dan wordt deze ook niet uitgevoerd. Om nu toch een programma uit te kunnen voeren vanuit je huidige directory kun je dat als volgt opgeven:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>./programma</B
>
</PRE
><P
> Hiermee geef je aan dat je 'programma' uit de huidige directory uit wilt voeren.
</P
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN436"
>9.5. Redirection en Piping</A
></H1
><P
>
Het is vaak handig om commando's te kunnen combineren, oftewel om de output van het ene commando door te geven als input voor een ander commando. Ook kan het bijvoorbeeld handig zijn om de output van een commando in een bestand op te slaan in plaats van op het scherm te tonen. Hier komen de kreten redirection en piping naar voren.
</P
><P
> Redirecten is het veranderen van de richting van invoer en uitvoer van programma's. Stel dat je de inhoud van een bestand wilt bekijken. Dit kun je doen met het commando <B
CLASS="command"
>cat</B
>. Een voorbeeld:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>cat file.txt</B
>
</PRE
><P
> Bovenstaand voorbeeld laat de inhoud van een bestand op het scherm zien. Als je nu, voor wat voor reden dan ook, deze output naar een ander bestand wilt laten gaan, dan kun je dit als volgt doen:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>cat file.txt > file2.txt</B
>
</PRE
><P
> Bovenstaand voorbeeld redirect de uitvoer van het 'cat' commando naar een bestand in plaats van naar het scherm.
Opmerking: je zou op kunnen merken dat dit eigenlijk een kopieerslag is en ja, daar heb je gelijk in. Echter, het gaat hier alleen maar om hoe redirection werkt
</P
><P
> Een ander voorbeeld is het redirecten van de uitvoer van het <B
CLASS="command"
>ps</B
> commando naar een bestand. Voorbeeld:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>ps > uitvoer.txt</B
>
</PRE
><P
> Bovenstaand voorbeeld laat de uitvoer van het <B
CLASS="command"
>ps</B
> commando naar het bestand uitvoer.txt gaan in plaats van naar het scherm.
</P
><P
> Bovenstaand voorbeeld stuurt de uitvoer van een commando naar een bestand. Als dat bestand nog niet bestaat wordt dat aangemaakt, maar als dat bestand wel bestaat, dan wordt de inhoud van dit bestand overschreven. Als je dat niet wilt, dan kun je besluiten om de inhoud van het nieuwe commando achter de bestaande inhoud van het bestand te plakken. Dit kun je als volgt doen:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>ps > > uitvoer.txt</B
>
</PRE
><P
> Je kunt ook i.p.v. redirecten naar bijvoorbeeld bestanden de uitvoer van een commando rechtstreeks aan een ander commando doorgeven. Dit wordt piping genoemd. Een voorbeeld van piping is:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> $ <B
CLASS="command"
>ls -al | less</B
>
</PRE
><P
> Bovenstaand voorbeeld geeft de output van <B
CLASS="command"
>ls -al</B
> door aan
het commando <B
CLASS="command"
>less</B
>.
</P
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN462"
>9.6. Tab completion</A
></H1
><P
> Met de tab toets kun je, tenminste met de Bash Shell, een deel van een commando of bestandsnaam of de naam van een pad invullen en de shell de naam zelf af laten maken. Scheelt je soms een hoop typewerk.
Stel, je wilt een programma vanuit je huidige directory uitvoeren. Dit programma heeft de volgende naam : programmaxyz-234.hrl. Nu kun je als volgt de hele naam intypen:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> ./programmaxyz-234.hrl
</PRE
><P
> Dat is veel typewerk en de kans dat je fouten maakt is groot, zeker met zo'n naam. Nu kun je een deel van de naam intypen, bijvoorbeeld:
</P
><PRE
CLASS="screen"
> ./pro
</PRE
><P
> Als je nu op de tab toets drukt, dan kijkt de shell of hij iets kan vinden wat begint met het deel wat je hebt ingevuld. Als dat zo is dan vult de shell de rest van de naam aan.
</P
><P
> Nu kan het voorkomen dat je bijvoorbeeld twee programma's hebt met bijna dezelfde naam, bijvoorbeeld programmaxyz-123 en programmaxyz-124. Als je nu weer alleen 'pro' ingeeft en daarna op de tab toets drukt, dan vult de shell aan tot waar er verschillen zijn in de naam. Dus in dit voorbeeld tot :
</P
><PRE
CLASS="screen"
> ./programmaxyz-12
</PRE
><P
> Het laatste deel van de naam moet je nu zelf opgeven, in ieder geval tot en met het deel van de naam vanaf waar de shell constateert dat de naam uniek is. Vanaf het moment dat de naam weer uniek is, kun je weer de tab toets gebruiken.
</P
><P
> NB : Tab completion geldt niet alleen voor programma's, maar ook voor bestanden, directories, complete paden en dergelijke.
</P
></DIV
><DIV
CLASS="sect1"
><H1
CLASS="sect1"
><A
NAME="AEN473"
>9.7. Virtuele terminals</A
></H1
><P
> Je kunt via meerdere, zogenaamde virtuele terminals, werken. Dit kan handig zijn als je bijvoorbeeld meerdere taken uit wilt voeren en je niet steeds je huidige taak wilt stoppen en een andere taak wilt starten.
</P
><P
> Omdat Linux een multi-user systeem is, kun je meerdere malen als dezelfde user ingelogd zijn maar je kunt ook met verschillende user-id's ingelogd zijn, bijvoorbeeld als 'gewone' user en als systeem beheerder (root).
</P
><P
> Om met aan een andere taak te werken kun je met de toets combinatie Alt en een functie toets, wisselen tussen virtuele terminals. Alt-F2 geeft je de tweede virtuele terminal, Alt-F3 de derde enzovoort tot en met Alt-F6. De overige (Alt-F7 en verder) zijn gereserveerd voor X-sessies, dat wil zeggen een virtuele terminal voor sessies voor een X window (zeg maar grafische omgeving). Als je vanuit een grafische omgeving naar een tekst omgeving wilt, dan kun je dit doen met de toets combinatie Ctrl-Alt-F3 (voor de derde virtuele terminal). Alt-F7 stuurt je terug naar je grafische omgeving.
</P
></DIV
></DIV
><DIV
CLASS="NAVFOOTER"
><HR
ALIGN="LEFT"
WIDTH="100%"><TABLE
WIDTH="100%"
BORDER="0"
CELLPADDING="0"
CELLSPACING="0"
><TR
><TD
WIDTH="33%"
ALIGN="left"
VALIGN="top"
><A
HREF="pkgtools.html"
>Terug</A
></TD
><TD
WIDTH="34%"
ALIGN="center"
VALIGN="top"
><A
HREF="slackware-handboek.html"
>Begin</A
></TD
><TD
WIDTH="33%"
ALIGN="right"
VALIGN="top"
><A
HREF="bestandssysteem.html"
>Volgende</A
></TD
></TR
><TR
><TD
WIDTH="33%"
ALIGN="left"
VALIGN="top"
>Pkgtools</TD
><TD
WIDTH="34%"
ALIGN="center"
VALIGN="top"
> </TD
><TD
WIDTH="33%"
ALIGN="right"
VALIGN="top"
>Bestanden en directories</TD
></TR
></TABLE
></DIV
></BODY
></HTML
>
|